“Ik ga niet mee,” klonk het vastbesloten. “Bekijk het maar.”
“Ja maar, ik vind het veel gezelliger als je met ons mee gaat,” protesteerde ik.
“Ik kan best voor mezelf zorgen.” Hij posteerde zich op de wal.
“Nee, dat kan je niet,” zei ik van een afstandje. “Want dan moet Mijn Vriendin voor je zorgen.”
“Ze is anders ook mijn vriendin,” antwoordde Adje en zijn staart wuifde triomfantelijk. Ik had het nakijken. Net toen we naar Duitsland wilden vertrekken voor het Paasweekend.
Met andere woorden, het is tot zijn erwtenbreintje doorgedrongen dat zodra de rieten reismand opengaat, hij op reis gaat. Zodra hij het dit keer in de smiezen kreeg, ging hij er als een speer vandoor. Het moet een wonderbaarlijke vermenigvuldiging van hersencellen zijn, ik kan het anders niet verklaren. Ik kon met zijn etensbakje rammelde wat ik wilde, hij kwam niet terug. Een dag later kreeg ik een Whatsapje van zijn Verzorgster en zijn/mijn Vriendin.
![]()
Mooi is dat.
Sinds gisteren weet ik dat elk bezoek aan een supermarkt, een aanslag is op mijn wilskracht. Het zijn altijd dezelfde gedachtes die de schier onneembare vesting (NOT) van mijn wil bestormen. Ik wil chips. Van die lekkere zoute, met de hand gefrituurd van Burts. Gisteren niet. Gisteren had ik geen zin in chips. Geen geworstel met mijn vette-zucht-zelf bij het chipsschap in de Duitse supermarkt. Eetlust gaat namelijk niet samen met de griep.





