‘s Lands wijs, ‘s lands eer

Bij de Combi, mijn favoriete supermarkt in mijn tweede vaderland, hebben ze drie soorten karretjes. Na diverse malen vruchteloos en vloekend te hebben geprobeerd het 50 eurocent muntje aan zijn rechtmatige eigenaresse (ik dus) te doen toekomen, had ik het door. De boodschappenvervoermiddelen hebben maar liefst drie kleuren: roze, groen en blauw, die incompatibel zijn, dat wil zeggen ze passen niet op elkaar. Er zijn drie rijtjes: roze, blauw en groen en nimmer zullen de drie mixen. Goed. Het ontgaat me totaal waarom een dorpssupermarkt drie soorten boodschappenkarren nodig heeft, maar ik heb hem door.

Donderdagochtend acht uur bij het keukenraam. Ik in mijn kimono, hubby met de haartjes nat. We spieden vanachter het groen naar de seniorenhangplek voor ons huis, zo te zien gevuld met keurig uitziende midlifers. Alhoewel. Ze maken een kabaal van jewelste.
“Ik hoorde dat het Duitsers waren in de douche,” zegt hubby.
De volumeknop staat inderdaad op de hoogste stand. “Zie je dat ze allemaal een flesje bier in de handen hebben?” sis ik naar hubby. “Waar je zin in hebt op de vroege ochtend.” Ik schud mijn oranjewitte haar. Dat Duitsers wel van een biertje houden, is me bepaald niet ontgaan in dit bolle buiken land, maar dit slaat toch alles. “Misschien moeten we een plakkaat ophangen,” zeg ik. “Nicht so laut, bitte.”
“Goed idee,” zegt hubby en meent er natuurlijk niets van.

Pas later dringt het tot ons door: men was aan het dauwtrappen en was dus al uren aan het innemen. Vandaar. Het waren drie soorten boodschappenkarretjes. Vandaar.

Zou Nederland ook van dit soort onbegrijpelijkheden hebben?

seniorenhangplek

de seniorenhangplek

Kappen, maart! Met het roeren van die staart

“Ben je nog van plan naar buiten te gaan de komende weken?” vraagt hubby.
“Nee,” zeg ik en wikkel nog een sjaal om mijn nek. Achter het raam dwarrelen sneeuwvlokken. Een extra elektrisch kacheltje snort achter mij in het studeerkamertje. Ja, ik heb cv in de woonboot, maar ik kan het niet meer warm krijgen in dit maartse gemier. We zouden eigenlijk naar Deutschland vertrekken maar toen we zagen dat het daar min twaalf was, zonk ons de moed in de schoenen. En het hout is bijna op. En er is daar niets te doen in die kou. Fietsen in een sneeuwstorm? Ikke niet. Mijn winterslaap is voorbij, maar ik kan niet wakker worden in deze koude ellende. Dus blijf ik thuis bij de buis, chips bij de hand, Adje en hubby in de nabijheid.

Ondertussen surf ik over het internet op zoek naar Last Minutes naar zonniger oorden. Trinidad, Thailand, Cuba. Geen vlucht meer te krijgen volgende week. Anders was ik WEG geweest.

Of wens je nog meer sneeuw? Volg de instructies van onderstaande filmpje. Het moet wel minus 41 graden zijn ;)

 

 

Koning Winter mag zijn biezen pakken

Waarom blijft het zo koud? Ik vraag het in het wilde weg. Antwoord van boven verwacht ik allang niet meer. De radio vertelt mij dat het in de tweede helft van de week nog kouder gaat worden. Mijn hart zinkt in mijn schoenen. Ik wil niet meer. Ik verlang naar sneeuwklokjes die hun hoofdjes fier boven de zwarte aarde uittillen, naar een zonnetje dat waterig naar me knipoogt. In plaats daarvan sjouw ik me een breuk aan eiken voor de houtkachel, klampen mistdruppels zich aan mijn oranje-witte haar vast en is het zicht beperkt, in Duitsland.

IMG_2118IMG_2116IMG_2115

Slow woninginrichting

Mijn woning komt beslist niet in aanmerking voor de rubriek in het Volkskrant Magazine waarin mensen hun perfect ingerichte huis laten zien. Elke week staar ik met open mond toch wel een seconde of drie naar de met zorg bij elkaar gezochte meubelen, de trouvailles op rommelmarkten voor een prikkie op de kop getikt en de onverwachte maar o zo zorgvuldig bij elkaar gezochte kleuren op de muren, voordat ik gaap en de pagina omsla.

Ik heb geen haast met woninginrichting: de zeventiger jaren open haard met afzichtelijke groen en gele tegels werd minstens tien jaar in de woonkamer geduld voordat hij plaats maakte voor een houtkachel. De scheve eikenhoutenkastjes –weliswaar vrolijk rood geverfd – hebben vele jaren uitstekend dienst gedaan in de keuken voordat ze uit hun sponningen vielen. Over de versleten kurkvloer in de slaapkamer zijn vriendlief en ik het regelmatig hartgrondig eens dat deze na zeventien jaar toch echt binnenkort zou moeten worden vervangen, waarna we tevreden achterover leunen in onze leunstoelen, al vijf jaar lang bedekt door een IKEA-plaid omdat we maar niet kunnen besluiten hen opnieuw te laten bekleden.

Een design vaas kan me niet bekoren, een Jean des Bouvrie meubel zal me worst zijn, maar eens in de zoveel tijd wordt mijn begeerte voor een object gewekt en dan is er geen houden aan. Ik moet, ik zal, mijn schat stante pede verwerven. Elk uitstel is tergend, een marteling voor mijn gemoed. In dit geval, als ik niet gauw een houtopslag verkrijg word ik helemaal gek. Tijdens de autoritten die we tegenwoordig regelmatig naar Duitsland maken vanwege het bezit van een tweede huis, roep ik regelmatig opgewonden uit: “ Kijk, die is ook mooi. En hoe komen ze aan zoveel brandhout? En zo leuk en rustiek opgeslagen. Hoe doen ze dat?” Om meestal klaaglijk af te sluiten met: “Ik wil ook heel veel brandhout én een mooie opslag.”

Overal waar ik de kans krijg, bestudeer ik houtopslagen, bezoek talloze sites, op zoek naar zelfbouw pakketten voor een houtopslag en heb tientallen filmpjes van ruige Amerikanen bekeken die hun eigen houtopslag in elkaar knutselden. Inmiddels liggen de plannen klaar. In het voorjaar wordt de houtopslag van mijn dromen in mijn stukje Duitse bosgrond gebouwd. Tip voor de Volkskrant: besteed een Volkskrant Magazine aan objecten in de tuin, zoals houtopslagen (in plaat van aan -voor de hand liggend – gaap -seks, zoals vorige week). Dan heeft de VKM in elk geval weer mijn onverdeelde aandacht.

IMG_1789

Heel, heel mooi en zo landelijk. Ik heb er minstens drie foto’s aan besteed.

Kerstdepressie op komst

Goed bezig, Midlife Me! Acht dagen al niet geblogd. Reden: kerstdepressie op komst. Ik heb het tij nog enigszins kunnen keren door niet al teveel na te denken, veel werken maar morgen is het zover. Mijn zelfgemaakte kerststol zit in de oven, mijn kerstkater zit op de bank en kijkt sullig voor zich uit. Als ik de Kerstdepressie weet te overleven, laat ik van me horen over een paar dagen. Herrezen, hoop ik.

kerststol

Ziet hij er lekker uit, of niet?

Buren, je hebt ze niet voor het uitkiezen

Afgelopen weekend waren de Duitse buurman, hubby en ik zijn aan het bier geweest in het kader van de internationale verbroedering. Hoe vaak heb ik hem inmiddels al gesproken? Het zal op de vingers van een hand te tellen zijn, maar ik weet inmiddels wat de buurmans stokpaardjes zijn. Dat Duitsland eigenlijk het machtigste land ter wereld moeten zijn – gaap – want de Duitsers kunnen alles beter dan de anderen. – gaap.  Hij is al enige tijd helemaal alleen aan het woord als ik hubby een blik toewerp die zegt: ‘zie je wel dat ik met geen woord over onze Nachbarn gelogen heb’. Qua techniek, ijver, verstand kent die Heimat zijn gelijke niet in de wereld, orakelt de buurman verder.  Gaap. Is het einde van het glas nu al weer in zicht? En Hitler was best een toffe peer.  Hij had alleen eerder met de oorlog moeten ophouden. Wat? Ik proest mijn laatste slok bier in het glas terug. Mijn buurman hangt in zijn stoel, hij ziet er best tevreden uit met een bierpul in zijn linkerhand . Familie kun je niet kiezen, buren helaas ook niet. De buurman is best aardig zolang we het over de tuin hebben, de omgeving, het dorp zelf maar als hij zijn mond open doet over de toestand in de wereld, zie ik zo’n Duits potdeksel op zijn hoofd en hoor ik harde laarzen marcheren.

Wat moet je daar nou mee?

Ik had hem een schop onder het achterwerk kunnen verkopen en schreeuwen: “Raus, Nazi-schwein.” Heb ik niet gedaan. Wel hebben we tegenwerpingen gemaakt, maar zijn we eerder diplomatiek dan verbaal agressief geweest. Vreemd om hiermee geconfronteerd te worden. In Nederland absoluut not done om Hitler om wat voor manier dan ook goed te praten of je moet een abjecte fascist van de ergste soort zijn. In Duitsland wonen ze vlak naast je. Gelukkig heeft hubby al een antifascistische brainwash voor de buurman gepland.

Maar nogmaals, wat moet je daar nou mee?

Winterberichten

In mijn tweede Duitse leven is er vlakbij bij mijn huis een Bronzezeithof. Het is een boerderij zoals die er in de Bronstijd zou zijn geweest, waar mensen rondlopen in vormloze gewaden, die met een enthousiasme over de gebouwtjes, de klei oven, de kleine kudde koeien vertellen die heel erg aanstekelijk werkt. Als verwende stadse zou ik er natuurlijk met veel dedain over willen spreken, maar in plaats daarvan sleep ik alle bezoek op zondagen er mee naar toe, die net zo kinderlijk blij van dit vrijwilligersproject worden als ik.

Afgelopen zaterdag gingen hubby en ik,  zoals zoveel middelbare echtparen plegen te doen, een wandelingetje maken. Even frisse lucht snuiven tussen de velden. In de verte hoorde we een soort klaroengeschal. Wij er op af natuurlijk! (Het is hier in de buurt van Almelo, en zoals iedere Nederlander weet: het stoplicht springt op rood, het stoplicht springt op groen, in Almelo is er altijd wat te doen). Grote opwinding bij het Bronzezeithof, want de twee oerkoeien met hun twee kleintjes werden naar hun winterverblijf gebracht. Daar ging de optocht, de vrijwilligers in hun bronzen tijd gewaden, een zelf gebouwde ossenkar (bedoeld voor de kleintjes die nu nog te jong zijn en hun balletjes nog niet kwijt zijn), wat bezoekers, op de voet gevolgd door hubby en mijzelf.

Het wordt winter, want de koeien zijn naar hun winterverblijf gebracht. Heerlijk, als het leven zo overzichtelijk is.

 

Knolraap en lof, schorseneren en prei

Soms (en vooral in dit midlife era) moet het pad dat het minst betreden is, geprobeerd worden. Ik had aardappeltortilla met sla met pijnboompitten in gedachten, toen mijn oog in de Duitse supermarkt op interessant uitziende zwarte wortelen (“Schwarzwurzeln”) viel. Vlak ernaast lag een papier waarin een gratin met pastinaak en aardappelen werd beschreven. Kat in het bakkie, dacht ik. Eiken houten meubelen en van die suffe Duitse kleding aantrekken, no way Jose, maar ouderwetse Duitse groentes eten, ik pas me aan en doe gewoon mee. Ik moest er alleen achter zien te komen wat ‘Senf’ en ‘gerieben’ was, maar de gemütliche supermarktjuffrouw was mij graag van dienst.

Aldus gewapend met mijn pastinaken en alle benodigde ingrediënten ben ik huiswaarts getogen. Pas bij het aanrecht in mijn vakantiewoning bedacht ik dat ik nog nooit pastinaak had gezien. Schorseneren wel. En dat deze zwarte wortelen daar veel op leken. Het woordenboek bood uitkomst.

Het waren schorseneren. Ik had er maar een woord voor: Scheiße!

De kring

Pas als de schaduw van de nacht alles bedekt, als de mensen in het vakantiehuisje gaan snurken slapen en hoog in de boom de eekhoorn op zijn grote pluizige staart soest, komen ze tevoorschijn. Dan ritselt het in het lage struikgewas, glinsterende ogen kijken voorzichtig van links naar rechts. Kleine figuurtjes sluipen naderbij. Ze nemen plaats op de paddenstoelen. Alleen het zilveren licht van de duizenden sterren verlicht hun ondeugende gezichten. Fluisterend bespreken ze de gedragingen van die lompe reuzen die af en toe langs komen stampen. Giechelend klinken ze hun mini-bierpullen en richten een feestmaal aan op de grote ronde tafel om tegen de ochtendschemering, als de eekhoorn zich geeuwend uitrekt, spoorloos te verdwijnen.
paddenstoelen

Ik ben weer in het land van de sprookjes. Alles Liebe aus mein zweite Heimat. Frau Midlife.

Zij zijn de beste

“Deutschland ist das beste Land.” Na een ellenlange opsomming van fabelhafte eigenschappen  van ons buurland, schijnt dit de onontkoombare conclusie zijn. Mijn buurman kijkt me ernstig aan.

Mij valt op dat hij een enorm dikke onderlip heeft en dat er wat slijm zich heeft verzameld in zijn rechtermondhoek. “Wirklich,” zeg ik in mijn beste Duits. “Ich habe immer gedacht dass die Niederlande das beste Land war.” En ik lach er hartelijk bij om wat broodnodige zelfreflectie te berde te brengen.

Geen enkele reactie. “Weist du wer das erste Auto gemacht hat?”
“Henry Ford, ein Amerikaner?” Het is een rhetorische vraag, dat weet ik heus wel.
“Benz,” zegt hij. “Von den Mercedes-Benz Fabriken. Und die erste Mondlandung war eigentlich eine Deutsche Angelegenheit. Alles war deutsche Technik. Wir Deutsche sind am alles die Besten, dass ist weil wir fleischig sind.”

Ik vind de buurman inderdaad log, dikkig, en dan ook nog die handen als kolenschoppen. Komt natuurlijk vanwege  al die Fleischereien in het dorp en menukaarten gevuld met Schweineschnitzel, geen wonder dat die Duitsers allemaal te fleischig zijn. O god, hij bedoeld natuurlijk ‘fleißig’. “Und weil die Deutsche so fleißig sind, haben sie so viel Geld, und müssen sie alles bezahlen in Europa.” Het gezeik over Europa gedurende het eerste half uur van de conversatie komt me ook de neus uit. Ik glimlach lief. “Viellicht müssen sie nicht so fleischig sein. Noch eine Tasse Kaffee?”