Ik fiets door het Vondelpark als iets mij naar links doet kijken. Een oudere man op een fiets, niets bijzonders, dan krijg ik zijn gezicht in het vizier, shit. Onze blikken kruisen. Een seconde om te beslissen. Hij flitst voorbij. Ja, nee, ja, nee, ja, ik draai mijn hoofd om. Hij is al gestopt, ziet mij kijken en steekt zijn hand op. Ik trap op de rem, keer mijn fiets om en loop langzaam terug. Daar staat hij, mijn ex. Kaal, net zoals hij al jaren geleden had aangekondigd.
Als ik tegenwoordig überhaupt aan hem denk, dan is het aan zijn vaste gewoontes. Ik vond ze toentertijd al zowel mateloos fascinerend als volkomen ridicuul. Er kwam geen frietje zijn mond binnen als hij niet eerst een handvol wortelen had gegeten. Voordat hij een boterham met kwark en honing van zichzelf mocht eten, moest er een ‘gezonde’ boterham met kaas aan vooraf gaan, want ‘het zuur ging aan het zoet vooruit’. Zaterdagochtend was voor de boodschappen doen, een vast rondje dat onveranderlijk werd uitgevoerd. Zowel zijn heden als toekomst was in beton gegoten: als hij een eigen huis had gekocht, zou hij piano leren spelen, en na zijn vijftigste zou hij zijn hoofd laten kaal scheren.
In het Vondelpark sta ik inmiddels dicht bij hem. Hij lacht naar me en er gebeurt iets vreemds met mijn maag. Voor één moment ben ik terug in de tijd. Ik vond hem sexy, denk ik verrast, met een lekker lijf. Hoe is het mogelijk dat ik vergeten was dat ik hem leuk vond en dat hij meer was dan een verzameling ridicule gewoontes. “Hi,” zeg ik, “dat is lang geleden. Hoe gaat het?”
Een half uur later heeft hij mij alles verteld over het huis dat hij heeft gekocht, de pianolessen die hij heeft genomen, dat de muziekleraar hem heeft verteld dat hij geen enkel muzikaal gevoel heeft, maar hij zet door, dat hij alleen op vakantie is geweest, dat hij twee leuke vrouwen heeft ontmoet, die hij hen alles heeft verteld over mij en dat hij nog steeds er zoveel moeite mee heeft en dat ik tig jaar, zeven maanden, 5 dagen en 45 secondes geleden dit en dat tegen hem gezegd en dat hij dat nog steeds niet begrijpt.
En ik ben al lang weer bij hem weggegaan: mijn geest heeft zich bij de vijver verkwikt, zich met de passerende fietsers de tijd verwijld, het standbeeld van Vondel bestudeerd als ook de kwetterende koolmeesjes op de tak. Nu kijk ik naar zijn kale hoofd en denk aan Ionesco en aan zijn toneelstuk “La Cantatrice Chauve”. Ik hou van het Theater van het Absurde, de menselijke non-communicatie wordt er zo herkenbaar in verbeeld. In Real Life word ik er voornamelijk heel erg moe van.
“Ik ga naar huis,” onderbreek ik zijn monoloog. “Hubby en ik gaan uit eten.”
Zijn gezicht betrekt, zoals ik heel goed wist dat zou gebeuren. “Ben je nog steeds met hem?”
“Ja,” zeg ik en wil er eigenlijk aan toe voegen, “ En we zijn heel erg gelukkig.” Maar ik hou me in.
“Dag.”
“Dag.”
Een seconde van verrukkelijke verliefdheid onpeilbaar diep in verbale diarree verzonken. Het is het me niet waard. De volgende keer rijd ik aan zijn kaalheid voorbij.