Wonderbaarlijke vermenigvuldiging van hersencellen

IMG_5435“Ik ga niet mee,” klonk het vastbesloten. “Bekijk het maar.”
“Ja maar, ik vind het veel gezelliger als je met ons mee gaat,” protesteerde ik.
“Ik kan best voor mezelf zorgen.” Hij posteerde zich op de wal.
“Nee, dat kan je niet,” zei ik van een afstandje. “Want dan moet Mijn Vriendin voor je zorgen.”
“Ze is anders ook mijn vriendin,” antwoordde Adje en zijn staart wuifde triomfantelijk. Ik had het nakijken. Net toen we naar Duitsland wilden vertrekken voor het Paasweekend.

Met andere woorden, het is tot zijn erwtenbreintje doorgedrongen dat zodra de rieten reismand opengaat, hij op reis gaat. Zodra hij het dit keer in de smiezen kreeg, ging hij er als een speer vandoor. Het moet een wonderbaarlijke vermenigvuldiging van hersencellen zijn, ik kan het anders niet verklaren. Ik kon met zijn etensbakje rammelde wat ik wilde, hij kwam niet terug. Een dag later kreeg ik een Whatsapje van zijn Verzorgster en zijn/mijn Vriendin.

foto

Mooi is dat.

De duivel schijt altijd in het westen

“In wat voor wereld leven we dat een T-shirt maar 3 euro kost?” verzucht ik in de auto.
Mijn midlife metgezellinnen knikken hun hoofden wijs. “Ja, het kan toch eigenlijk niet voor dat geld, hè?”

Een half uur geleden stond ik zes kledingstukken te passen in Zaandam: een bloesje dat niet open bleek te gaan, twee broeken die beneden te strak en boven te wijd waren, een kleurig vest dat niet stond, een jasje dat hevig knelde onder de oksels en als laatste een keurig vestje dat als enige de selectie overleefde. Troepiedepoepie, maar kostte dan ook niet meer dan 12 euro per stuk. Het kan niet anders of iemand betaalt die prijs voor die schamele bedragen en dat zijn niet wij in The Wasteful West.

De uitdrukking” De duivel schijt altijd op de grootste hoop” gebruik ik graag en veel voor anderen. Zo gaat dat als je Nederlandse bent, het opgeheven vingertje wordt er automatisch bij geleverd. Maar de laatste tijd hoor ik het knetteren in de verte en ruik ik onwelriekende geuren. Getsie!

Ik hou er mee op en koop die goedkope rotzooi niet meer. Daar.

Alive and kicking

Deze week bereikte mij een mailtje met de bezorgde vraag of ik nog wel in het land was, of ik niet verhuisd was naar mein zweite Heimat. Mijn correspondent had al enige tijd geen levenstekenen van mij in haar mailbox ontvangen.

Het is niet waar, antwoordde ik. Nee, ik heb de woonboot niet verkocht, heb het koude kikkerland niet permanent verlaten om wild te gaan walsen in Lederhosen bij de oosterburen. Wat wel heel goed het geval kan zijn, is dat aankondigingen van het blog Midlife Me regelrecht de prullenbak in gaan, als je je hebt geabonneerd op het blog.

Dus: Midlife Me is alive and kicking, maar ontvang je geen Midlife Me berichten, check dan je spambox en geef mij het groene licht. En heb je je nog niet ingeschreven, vul je gegevens in rechts bovenaan in de sidebar.

Blij dat ik rij. Eindelijk

Ik wil al bijna aan het pand voorbij lopen, maar het nummer is juist. Het ziet er eerder als een curiosashop uit dan als een rijschool. Een midlife vrouw achter de balie, een hele opluchting. Na mijn eerdere ervaring (zie mijn blog van 20 juli van vorig jaar) heb ik deze  speciaal op vrouw- en seniorenvriendelijkheid geselecteerd. Ze bieden zelfs een rijangstcursus aan, mocht het helemaal niet met mij gaan lukken.

“Waar is het toilet?” Het is zo’n beetje het eerste dat ik aan mijn leeftijdgenote vraag. Mijn allereerste rijles drukt zwaar op mijn blaas. Teruggekomen bij de balie, verneem ik dat het in de eerste les er vooral om zal gaan of ik een ‘klik’ heb met mijn instructeur.

Een paar minuten later loop ik met hem buiten. Het is een schatje. Gelukkig niet te jong en, zoals later zal blijken, supergeduldig.
“Ik zal de auto naar een parkeerterrein brengen waar we gaan oefenen,” zegt hij en we stappen in. “En dan kan jij zelf de auto terugrijden.”
Met de gordel in de hand lach ik beleefd naar hem vanuit de passagiersstoel. Ja hoor. Morgen brengen. De rijschool ligt middenin de stad: rijbaan, trambaan en fietspad dicht tegen elkaar aan geklemd. Geen haar op mijn midlife hoofd die er aan denkt om daar tussen te gaan rijden.

Een uur later rij ik terug. Ik bedien weliswaar alleen het gaspedaal en de richting aanwijzer, maar toch. Zweet op mijn voorhoofd, oksels voelen klam, maar ik draai aan het stuur. Volgens de  midlife zuster van de rijschool heeft een twintiger ongeveer 40 rijlessen nodig, voor elk jaar dat ik ouder ben moet ik er een les bij optellen. Ik kom uit op 70 rijlessen. Kassa! Maar wat kan het mij schelen, ik ben blij dat ik RIJ. Eindelijk.

Mijn lesauto: een Polo Volkswagen Diesel

Kappen, maart! Met het roeren van die staart

“Ben je nog van plan naar buiten te gaan de komende weken?” vraagt hubby.
“Nee,” zeg ik en wikkel nog een sjaal om mijn nek. Achter het raam dwarrelen sneeuwvlokken. Een extra elektrisch kacheltje snort achter mij in het studeerkamertje. Ja, ik heb cv in de woonboot, maar ik kan het niet meer warm krijgen in dit maartse gemier. We zouden eigenlijk naar Deutschland vertrekken maar toen we zagen dat het daar min twaalf was, zonk ons de moed in de schoenen. En het hout is bijna op. En er is daar niets te doen in die kou. Fietsen in een sneeuwstorm? Ikke niet. Mijn winterslaap is voorbij, maar ik kan niet wakker worden in deze koude ellende. Dus blijf ik thuis bij de buis, chips bij de hand, Adje en hubby in de nabijheid.

Ondertussen surf ik over het internet op zoek naar Last Minutes naar zonniger oorden. Trinidad, Thailand, Cuba. Geen vlucht meer te krijgen volgende week. Anders was ik WEG geweest.

Of wens je nog meer sneeuw? Volg de instructies van onderstaande filmpje. Het moet wel minus 41 graden zijn ;)

 

 

De moderne lokroep

Ze waren leuk en onderhoudend, geen spierbundels eerder frêle typjes, en beslist niet op hun monden gevallen. Maar toen de vrouwelijke rugbyers me schaterend van de lach vertelden dat ze onlangs nog gemoond hadden naar een bus met het mannelijke rugbyteam op de snelweg, had ik  de grootste moeite gehad om mijn wenkbrauwen op hun plek te houden. Pardon? Twintig blote vrouwenbillen op een rijtje in de bus. Waarom in godsnaam?

Moonen, voor wie het nog niet begrijpt, is het opzettelijk ontbloten en toekeren van het eigen achterwerk naar een ander om deze ander te beledigen, in verlegenheid te brengen, of voor de grap (volgens Wikipedia). In het totaal onbegrip verbleef ik totdat ik onlangs naar de BBC zapte en terecht kwam bij een rugbywedstrijd. Toen ging me pas een licht op.

“Zie je de enorme dijen?” zeg ik tegen hubby. Ik weet dat mijn ogen niet groter kunnen groeien, maar anders. “En wat een bovenarmen.” Wauw. Wat een gebeeldhouwde borstkassen. Sapperdeflap. De rugby-hotties rennen plots allemaal in een rijtje over het veld.
“Snap jij dit spel,” vraag ik hubby.
Hij antwoordt iets maar het dringt niet echt tot me door. Als gebiologeerd staar ik naar het scherm. Alles is hoekig aan deze mannen, vierkante kaken, driehoeken van bovenbenen. Sommigen dragen slaapmutsjes als waren het tandeloze baby’s, maar het zijn bikkels die zonder uitzondering een verband aan een lichaamsonderdeel dragen, zelfs één aan het oor. Het zijn oertijd-mannen, aan wie die sneue types van de Axe-reclame een puntje kunnen zuigen.

Inmiddels snap ik het helemaal. Die neiging de onderbroeken en masse te laten vallen, was geen grap, geen belediging, het was een ‘booty call’ (dat wil zeggen een lokroep tot een scharrel).

;)

Kaal

Ik fiets door het Vondelpark als iets mij naar links doet kijken. Een oudere man op een fiets, niets bijzonders, dan krijg ik zijn gezicht in het vizier, shit.  Onze blikken kruisen. Een seconde om te beslissen. Hij flitst voorbij. Ja, nee, ja, nee, ja, ik draai mijn hoofd om. Hij is al gestopt, ziet mij kijken en steekt zijn hand op. Ik trap op de rem, keer mijn fiets om en loop langzaam terug. Daar staat hij, mijn ex. Kaal, net zoals hij al jaren geleden had aangekondigd.

Als ik tegenwoordig überhaupt aan hem denk, dan is het aan zijn vaste gewoontes.  Ik vond ze toentertijd al zowel mateloos fascinerend als volkomen ridicuul. Er kwam geen frietje zijn mond binnen als hij niet eerst een handvol wortelen had gegeten. Voordat hij een boterham met kwark en honing van zichzelf mocht eten, moest er een ‘gezonde’ boterham  met kaas aan vooraf gaan, want ‘het zuur ging aan het zoet vooruit’.  Zaterdagochtend was voor de boodschappen doen, een vast rondje dat onveranderlijk werd uitgevoerd. Zowel zijn heden als toekomst was in beton gegoten: als hij een eigen huis had gekocht, zou hij piano leren spelen, en na zijn vijftigste zou hij zijn hoofd laten kaal scheren.

In het Vondelpark sta ik inmiddels dicht bij hem. Hij lacht naar me en er gebeurt iets vreemds met mijn maag.  Voor één moment ben ik terug in de tijd. Ik vond hem sexy, denk ik verrast, met een lekker lijf. Hoe is het mogelijk dat ik vergeten was dat ik hem leuk vond en dat hij meer was dan een verzameling ridicule gewoontes.   “Hi,” zeg ik,  “dat is lang geleden. Hoe gaat het?”

Een half uur later heeft hij mij alles verteld over het huis dat hij heeft gekocht, de pianolessen die hij heeft genomen, dat de muziekleraar hem heeft verteld dat hij geen enkel muzikaal gevoel heeft, maar hij zet door, dat hij alleen op vakantie is geweest, dat hij twee leuke vrouwen heeft ontmoet, die hij hen alles heeft verteld over mij en dat hij nog steeds er zoveel moeite mee heeft en dat ik tig jaar, zeven maanden, 5 dagen en 45 secondes geleden dit en dat tegen hem gezegd en dat hij dat nog steeds niet begrijpt.

En ik ben al lang weer bij hem weggegaan:  mijn geest heeft zich bij de vijver verkwikt, zich met de passerende fietsers de tijd verwijld, het standbeeld van Vondel bestudeerd als ook de kwetterende koolmeesjes op de tak. Nu kijk ik naar zijn kale hoofd en denk aan Ionesco en aan zijn toneelstuk “La Cantatrice Chauve”. Ik hou van het Theater van het Absurde, de menselijke non-communicatie wordt er zo herkenbaar in verbeeld. In Real Life word ik er voornamelijk heel erg moe van.
“Ik ga naar huis,” onderbreek ik zijn monoloog. “Hubby en ik gaan uit eten.”
Zijn gezicht betrekt, zoals ik heel goed wist dat zou gebeuren. “Ben je nog steeds met hem?”
“Ja,” zeg ik en wil er eigenlijk aan toe voegen, “ En we zijn heel erg gelukkig.” Maar ik hou me in.
“Dag.”
“Dag.”

Een seconde van verrukkelijke verliefdheid onpeilbaar diep in verbale diarree verzonken.  Het is het me niet waard. De volgende keer rijd ik aan zijn kaalheid voorbij.

Nespresso. What else?

“Ik heb nog een Nespresso-apparaat staan. Wil je die hebben,” vraagt een vriendin. “Hij gaat een beetje moeilijk aan, maar voor de rest is er niets mis mee.”
“Ja graag,” zeg ik prompt. Het leven heeft me de kaart “Koop een vakantiehuis in Duitsland” in de schoot gemikt. Daarna is mijn leven één groot geld-uitgeef-fest geworden. Ik sla momenteel niets af dan vliegen. Bovendien functioneert het espressopotje op het elektrische fornuis maar matig in meine zweite Heimat. Geef mij maar van die cups voor een snelle cafeïne-fix.

Op naar de PC. Een winkelstraat waar ik mij gewoonlijk nooit laat zien. De Nespresso-winkel ziet er picobello uit, sjiek zelfs. Ik drentel eerst wat rond. In het zwart geklede dames met glimmende nagels en discrete make-up staan achter counters, maar nergens prijzen. Hoeveel kosten die cups eigenlijk? Ik draag mijn wollen handschoenen waar de draden uithangen, mijn winterjas heeft zijn beste tijd gehad en mijn haar pluist alle kanten op. Er was een tijd dat ik het liefst zo snel mogelijk mijn onverzorgde zelf dit soort winkels uit wilde laten verdwijnen. Niet meer. Ik heb de regels van het spel dat shoppen heet namelijk helemaal door op mijn 50ste en stort me er, wanneer het moet, met overgave in.

“Kan ik u helpen?” Het meisje voor me glimlacht.
Ik stuur een stralende glimlach terug.  “Ja, alstublieft.”
“Komt u even mee naar mijn counter?”
Gehoorzaam loop ik achter haar aan.
“Waarmee kan ik u van dienst zijn?” Vertrouwelijk buigt ze zich naar voren.
Het hele verhaal van mijn tweedehands apparaat gaat over de toonbank en ik sluit af met: “En nu wil  wat van de koffie uitproberen.”
“Dan heb ik een speciale aanbieding voor u.”
Natuurlijk. Voor 140 euro krijg ik een deluxe uitvoering van een duizelingwekkend aantal cupjes plus smaakvol vormgegeven zwarte doos, waarin matte cupjes op kleur en met militaire precisie gerangschikt liggen. Ik doe alsof ik serieus nadenk, dan schud ik mijn hoofd en verklaar dat dat teveel is. Zo vaak ben ik niet in mijn vakantiehuis. Gelukkig kan ik ook voor slechts 58 euro  de trotse  bezitster worden van een minder groot aantal cupjes plus een blinkende doorschijnende opbergbox.
“Maar dan moet u eerst lid worden van onze Nespresso-club.”
De Nespresso troefkaart. Ik word gedwongen mijn identiteitsgegevens voor een luttel bedrag aan een koffiewinkel verkopen. Ik heb mijn gegevens wel voor minder verkocht.  What else?
“Hier heb ik wat folders voor u.” Het meisje wappert met glimmend zwarte brochures. “En u vindt het vast wel fijn ons Nespresso-magazine mee te nemen.”
Ik knik terwijl ik mijn Nespressoclub-card in mijn geldbuidel schuif.
“Mag ik u nog een kopje koffie aanbieden?”
“Een andere keer misschien.”
Ze begeleidt me naar buiten  waar ik met enige moeite al mijn verworvenheden in mijn fietstassen prop.

IMG_2112

Mooi maar werkeloos.

“Hoeveel kosten die cups eigenlijk,” vraagt hubby als ik hem trots mijn buit laat zien. 33 tot 37 cent per cup leert het Internet ons. In ons tweede vaderland blijkt dat we ons tweedehands Nespresso-apparaat met geen mogelijkheid aan de praat krijgen. En ik maar denken dat ik het spel doorheb. Het zal de joker er niet van weerhouden grijnzend in mijn kaartendek op te duiken.

Vriendschap is een illusie. Of niet?

Rozen Verwelken
Schepen Vergaan
Maar onze vriendschap blijft altijd bestaan.

Het staat op zwart op wit in mijn poëzie-album, maar de persoon die het ooit schreef, kan ik me nog amper voor de geest halen. Het romantische idee dat vriendschappen eeuwig zouden duren, is decennia later een stille dood gestorven. Net zoals er vijftig manieren zijn om een geliefde te verliezen, zijn er even zovele om een vriendin te verliezen. Alleen weegt het ene verlies zwaarder dan het andere.

Van het verlies van vriendin Ainmée baal ik. Al jaren. Al dronk ze zich een stuk in haar kraag tijdens mijn verjaardag. En had ze haar nieuwe vriend meegenomen, een arrogante bal, die en plein public vertelde dat ze een modderfiguur tijdens het dansen sloeg, terwijl zij zijn bedprestaties luidkeels als maar matig afdeed. Mijn jonge familieleden  hadden ogen op steeltjes toen zij met dikke tong vervolgens aankondigde een ‘bijrijder’ te nemen als zijn verrichtingen tijdens het het blotebenenspel geen stijgende lijn vertoonden.  Toen zij er op gewezen werd dat haar borst bloot uit haar T-shirt hing, duwde ze hem zonder veel plichtplegingen terug om direct terug naar de whiskyfles te wankelen.

Ja, ik mis Ainmée. Aan iedereen die het maar wilde horen, vertelde ze dat ze in de beste buurt van haar stad woonde. In de schaduw van een paleis stond haar grote villa. Haar huwelijk betitelde ze echter na verloop van tijd als het graf waarin ze als een levende dode rondwaarde en de scheiding kon ze eigenlijk niet aan. Inktzwart was de depressie waarin ze in terecht kwam, een maalstroom waarin ze iedereen in mee wilde meenemen en het liefst nog dieper dan zichzelf wilde trappen. Ainmée was woest toen ik voor de eer bedankte. Zo is zij. Haar wraak was zoet. Zo is zij ook.

Laatst kreeg ik een kaart van haar, waarin ze haar e-mailadres had opgeschreven en me gevraagd haar een mail te sturen. Ik twijfel. Zal ik wel, zal ik niet? De vonken zullen er wel weer afspatten. Zij en ik lijken qua temperament op elkaar. Hoe ouder, hoe wijzer, maar soms vervloek ik de voorkennis die het voortschrijden van de jaren brengt, want het remt alleen maar af.

Of zal de afgelopen vijf jaar dan slechts een onderbreking zijn in een vriendschap die al dertig jaar duurt? Ik word ouder, dat moet ik zo langzamerhand meenemen in mijn overwegingen. De vriendschappen die nu nog zal sluiten, zullen al niet meer zolang duren als die van haar en mij. Maar hoeveel verwijdering kan een vriendschap eigenlijk aan?